SchaakFAQ

Hier kunt U de verklaring vinden van allerlei veel gebruikte schaaktermen.

Afruil

Afruil is een manoeuvre waarbij beide spelers materiaal van gelijke waarde kwijtraken. Dus een pion afruilen tegen een pion, een loper tegen een loper of een paard, enzovoorts. Het gaat dus om de gelijke waarde van de stukken, zodat er in materieel opzicht geen winst of verlies ontstaat. De bedoeling van een ruil is onder andere het openen van lijnen of diagonalen, dus om ruimte te krijgen. Soms is het goed een verdedigend stuk van de tegenstander of te ruilen om een aanval beter te kunnen doorzetten. Een beginner moet zeker niet te veel gaan afruilen. Hij denkt misschien dat het spel daarmee eenvoudiger wordt, maar dat is niet altijd het geval. Ook de tegenstander profiteert van de ruimte.

 

Aftrekschaak

Aftrekschaak Dit ontstaat wanneer een stuk een lijn of diagonaal verlaat, waardoor een achter hem staand stuk de vijandelijke koning schaak geeft. Een voorbeeld: Recht achter een witte pion staat een witte toren en voor de pion staat ergens de zwarte koning. Er staan geen stukken tussen de pion en de koning. Wanneer deze pion dan een vijandelijk stuk slaat (hij slaat schuin) is de lijn open voor de toren, die dus de koning schaak geeft. Een oude vakterm luidt: de pion maskeerde' de toren, maar door op een andere lijn te gaan staan 'demaskeert' hij de toren. Een bijzondere vorm van aftrekschaak doet zich voor als het wegtrekkende stuk zelf ook schaak geeft. Men spreekt dan van dubbelschaak. Voorbeeld: vervang bovengenoemde pion door een paard of een loper. Wanneer dat stuk zijn lijn verlaat, geeft de toren dus al schaak, maar wanneer het stuk vanaf zijn nieuwe veld de koning bovendien ook nog eens schaak geeft, staat de koning dus twee keer schaak. Wit geeft dan dubbelschaak.

 

Dame

De Dame is op het bord het sterkste en in de schaakgeschie­denis het meest raadselachtige stuk. Zij staat naast de koning; de witte dame op een wit veld en de zwarte dame op een zwart veld. Regina regit colorem, de koningin regeert de kleur, zegt een oud Latijns ezels­bruggetje. De dame is daarom zo sterk omdat zij horizontaal, verticaal en diagonaal alle velden be­heerst.

De verandering van de fers in de dame in de l5e eeuw, die wij in het eerste hoofdstuk al kort vermeld hebben bij het ontstaan van de nieuwe Italiaanse schaakstijl alla rabiosa, is het raadselachtige aan haar. Voor de naamsverandering worden verschillende verklarin­gen gegeven. De eenvoudigste is dat men in het stuk naast de koning vroeger of later wel de bij hem beho­rende koningin moest gaan zien, zoals de dame trouwens in de meeste talen tegenwoordig nog genoemd wordt: reine, queen, enzovoorts, van het Joegosla­vische kraljica tot het kuningatar in het Fins. In het Nederlands en in het Duits werden de woorden ko­ningin en dame nog lange tijd naast elkaar gebruikt, maar de schaakwereld heeft zich in die talen toch duidelijk voor 'dame' uitgesproken. De naam. 'dame' voor het stuk met de sterk vergrote invloed zou vol­gens Freret, een schaakauteur uit de 19e eeuw, in Frankrijk ontstaan zijn. Diens bewijsvoering is ech­ter twijfelachtig, want hij meende ten onrechte dat uit fierge (het Franse woord voor fers) het woord vierge (maagd) ontstaan was. Waar de vierge of dame nu haar grotere invloed vandaan kreeg probeert een fas­cinerende theorie van de Jacob Silbermann (schaak­meester en schaakauteur) ons uit te leggen:

In haar Lofzang op Jeanne d'Arc (1429) zegt Christine de Pisan in het 39e vers, dat de Engelsen op Franse bodem geen overwinning zouden behalen en dat zij op dit schaakbord matgezet zouden worden. Het gaat hier over de honderdjarige oorlog tussen Frankrijk en Engeland en in hetzelfde jaar 1429 was de beslissende wending niet aan de koning maar aan Jeanne d'Arc, de maagd van Orleans te danken.

Men speelde toentertijd in Frankrijk niet alleen en­thousiast schaak, maar ook goed. Karel, de hertog van Orleans, inviteerde schaakmeesters op het hof en Karel de Stoute , de hertog van Bourgondie, gold als de beste speler van zijn tijd. En tenslotte speelde ook Karel VII, voor wie Jeanne het rijk en de kroon redde, schaak met zijn geliefde Agnes Sorel. Zou vanwege dit alles niet een invloedrijke persoonlijk­heid op de gedachte hebben kunnen komen, een Jeanne d’Arc op het schaakbord na te bootsen?

In tegenstelling tot deze gedachte van Silbermann ziet de Amerikaanse psychoanalyticus Colby als voorbeeld voor de schaakdame een andere vrouw, namelijk Catharine Sforza (1463-1509) die in pleats van haar zwakke echtgenoot tiranniek over Romagna heerste. Maar, hoe dan ook, Van der Linde zou best gelijk kunnen hebben met zijn opvatting dat de verandering van de fers in de dame een gedachtenflits van een enkeling, een plotselinge ingeving geweest is.

 

 

Dekken

Men verstaat daaronder het beschermen van een stuk door een stuk van dezelfde kleur, dat terug kan slaan als het eerste stuk genomen wordt. 'Ongedekt' is een stuk dat niet beschermd is.

De koning kan dus niet in deze zin gedekt worden, omdat hij nooit genomen wordt. Hoogstens spreekt men van het dekken van een koning, wanneer er een stuk gezet wordt tussen hem en een vijandelijk, schaakgevend stuk.

 

 

Dobbelschaak

vier pionnen en koning, toren, paard en Loper hadden. Men kan het ook met z'n tweeen spelen met de tegenwoordige opstelling der stukken. Men gooit dan met een dobbelsteen:

  • 1=koning,  
  • 2=dame,  
  • 3=toren,  
  • 4=loper,
  • 5=paard,  
  • 6=pion.  

Iedere worp beslist met welk stuk men moet spelen. Als het betreffende stuk niet spelen kan, of wanneer het niet meer op het bord staat, dan moet de zet overgeslagen worden. Het doel is niet het matzetten, maar het gevangennemen van de vijandelijke koning. Als de koning schaak staat, kan hij alleen uitwijken wanneer hij volgens de dobbelsteen aan zet is. En de koning kan alleen maar geslagen worden als het schaakgevende stuk aan zet komt.

Het door het dobbelen bepaalde element van het pure toeval is zo sterk in strijd met het wezen van het schaakspel, dat het dobbelschaak niet als een serieus te nemen variatie van het spel te beschouwen is, maar meer als een curieus amusement, eventueel ter afslui­ting van een inspannende schaakavond. Dan kan men er enig plezier aan beleven. Wie, in de hoop dat de tegenstander bij de volgende worp niet de nodige ogen zal gooien, zijn dame op een door een vijandelijk stuk bestreken veld plaatst, gokt wel zwaar, maar hij beleeft iets van de op de zenuwen inwerkende spanning die zich ook bij de roulette voordoet. Als men de stukken niet te langzaam, in het spel wil brengen, verdient het aanbeveling dat beide spelers enkele gelijke zetten doen zodat men van een iets gevorderde beginstelling uitgaat, zoals in het schaak­dorp Strobeck en bij de Arabische tabija.

 

Doorgeefschaak

Een variatie van het schaakspel, die in Engeland Exchangechess genoemd wordt. Waar en wanneer het spel het eerst gespeeld werd, is onbekend. In het begin van de jaren zestig werd het al in Nederland gespeeld. In Belgie werd het eerste toernooi in 1979 gehouden, maar men speelde het daar al verschei­dene jaren, evenals in Duitsland, Frankrijk en Span­je.

De regels verschillen nogal eens in de verschillende landen. Voor Nederland werden de spelregels echter in 1973 vastgesteld, met kleine wijzigingen in 1977. Het eerste toernooi in Nederland was het Open Leids Doorgeefschaakkampioenschap in 1973. Sinds 1974 wordt jaarlijks om het Nederlands kampioenschap gespeeld. In 1976 deed Nigel Short aan het toernooi mee. De grootste deelname was tot nu toe: 66 paren, die volgens het Zwitsers systeem speelden. Doorgeefschaak wordt namelijk gespeeld tussen twee teams van elk twee naast elkaar zittende per­sonen. De vier spelers spelen twee gewone snel­schaakpartijen, meestal met een bedenktijd van ze­ven minuten. De ene partner heeft wit, de andere zwart.

Het bijzondere is nu, dat een geslagen stuk aan de partner mag worden doorgegeven, die dat op elk moment – in plaats van een zet – op het bord mag zetten, mits het stuk niet direct schaak geeft. Ook mag het niet direct een stuk slaan. Men mag zijn partner vragen om een bepaald stuk (hetgeen de tegenstan­ders uiteraard horen). Men mag met zetten zelfs wachten tot de partner het stuk weet te geven, maar als dat drie minuten bedenktijd kost wordt de partij pas echt spannend. 

Een geslagen pion mag alleen op de tweede of ze­vende rij gezet worden. Hij kan wel gewoon promo­veren, maar hij behoudt gemakshalve de gedaante van een pion, omdat hij weer een gewone pion wordt als hij voor een tweede keer geslagen wordt. In ver­schillende clubs wordt ter afwisseling soms een der­gelijk snelschaaktoemooi gehouden.

 

Eindspel

De slotfase van een schaakpartij, die op een niet nauwkeurig aan te geven tijdstip begint als de meeste stukken afgeruild zijn en het bord merkbaar leger geworden is. Het eindspel ontleent zijn bijzonder karakter aan twee dingen: Stukken veranderen van waarde – de aanvankelijk zwakke koning en de pion­nen winnen aan kracht, de laatsten vooral door hun mogelijkheid tot promotie op de achterste rij – en het spel vereist nu in hoge mate een bijzondere kennis van allerlei eindspelen, een technische vaardigheid en een analytisch vermogen. Vandaar dat beginners dikwijls in dit stadium ten einde raad zijn en dat zij niet in staat zijn een tot nu toe ondanks alle fouten toch goed doorgezette partij tot een redelijk einde te brengen. Zij boeten hun eventueel verkregen materieel overwicht in of kun­nen daarmee de tegenstander niet mat krijgen.

Een uitgebreide eindspellitteratuur staat de schaker ten dienste, die iets meer wil weten over eindspelen met allerlei combinaties van enkele stukken en en­kele pionnen, in bijzondere Standen op het bord. Elk leerboek heeft als inleiding daarover wel een hoofd­stuk.

Sedert de Arabieren kennen wij ook de gecomponeerde eindspelstudies met zeer gecompliceerde oplossingen, vaak in stellingen met groot verschil in materiaal, uitingen van vernuft en voor kenners een voortdurende bron van verwonderlijke schoonheid.

 

Gambiet

Deze term wordt sedert de 16e eeuw gebruikt en betekent 'iemand een beentje lichten' naar het Ita­liaanse 'dare it gambetto'. Het principe van een gambiet is om in de opening een of twee pionnen te offeren en daarmee de tegenstan­der tijd te laten verliezen en zelf een betere stelling te krijgen. Door het slaan van de pionnen krijgt de te­genstander geen gelegenheid zijn stukken te ontwik kelen. Als hij weigert de pion(nen) te nemen, dan is er sprake van een 'geweigerd gambiet'. Neemt men de pion wel, dan spreekt men bijvoorbeeld van een 'aan­genomen damegambiet'. Uiteraard zijn de gevolgen van allerlei gambieten volledig bestudeerd. Er be­staan hele boeken over het damegambiet, konings­gambiet, Blackmar-Diemergambiet, Evansgambiet, enzovoorts. Kent men de theorie niet goed, dan kan I men beter het offer niet aanvaarden, want dat kan zeer gevaarlijk zijn. Ook kan het raadzaarn zijn de pion wel te nemen, maar snel weer terug te geven. Men wil dan niet 'ingaan' op het gambiet en de initiatiefnemer kan zijn snode plan niet uitvoeren.

 

Gekkenmat

Dit mat is het vlugst mogelijke mat, dat zoals de naam al zegt alleen een gek kan overkomen. Curiositeits­halve zij het hier vermeld. Misschien kan iemand er nog een pure beginner mee laten inlopen.

Wit begint met de pionzet g2-g4, een flankspel-ope­ning die men als beginner beter kan nalaten. Zwart antwoordt met de e-pion naar e5 te brengen om een diagonaal voor de dame en voor de koningsloper vrij te maken. Wit onderkent het gevaar niet en speelt pion f2 naar S om 'al vast g4 te dekken', waarop zwart slechts met zijn dame naar h4 hoeft te gaan!

Het gekkenmat is het primitiefste voorbeeld van de zogenoemde 'openingsvalletjes', waarvan men veel kan leren als men er in gevlogen is en waardoor men direct in het begin al scherp leert opletten.

 

 

Herdersmat

Het herdersmat is in een schaakpartij de benaming voor een mat vroeg in de partij met een loper op het veld c4 en een dame op het veld f7. Dit mat kan al na vier zetten optreden:

  1. e4 e5
  2. Lc4 Pc6
  3. Dh5 d6
  4. Dxf7# 1-0

Dit betekent niet dat een partij waarin het herdersmat optreedt altijd precies op deze wijze hoeft te verlopen. Zwart kan bijvoorbeeld ook allerlei andere zetten doen in plaats van de hiergenoemde, zolang deze tenminste de witte matvoering niet verstoren. Wit kan de volgorde van de tweede en derde zet verwisselen of de dame via f3 naar f7 laten gaan (verondersteld dat zwart niet bijvoorbeeld Pf6 speelt). Soms treedt het herdersmat ook niet op na vier zetten, maar pas een paar zetten later. Ook is er een omslachtigere variant waarbij wit de pion op f7 aanvalt met de dame en het paard.

Het herdersmat is eenvoudig te voorkomen en komt in de praktijk dan ook alleen voor in partijen van beginnende schakers. De zet 3. Dh5? is eigenlijk een zwakke zet, die alleen wordt beloond als zwart niet goed reageert. Het principe achter het herdersmat (een aanval op het relatief zwakke veld f7) speelt echter een rol in veel partijen (ook van gevorderde schakers) en is ook het idee achter een aantal schaakopeningen.

Het herdersmat is niet het snelst mogelijke mat in een schaakpartij. Het narrenmat treedt al na twee zetten op.

Verdediging

Er zijn veel verdedigingen tegen het herdersmat. Eén daarvan gaat als volgt: 1.e4 e5 2.Dh5 Pc6 (2...g6 zou nu een blunder zijn vanwege 3.Dxe5 met een familieschaak op koning en toren) 3.Lc4 (dit dreigt dus herdersmat met Dxf7) 3...g6 4.Df3 (dreigt opnieuw mat) 4...Pf6 en zwart staat beter, wit heeft namelijk een aantal zetten gedaan in strijd met de gouden regels van de opening en heeft daardoor een achterstand in ontwikkeling.

Gezien deze en ook andere verdedigingen is het herdersmat objectief gesproken geen goede strategie: bij correct spel komt de zwartspeler in het voordeel.

 

 

Koning

 

Sjah in het Perzisch. Het schaakspel heeft aan hem zijn naam te danken. Op het bord presteert de koning niet veel, men zou haast denken dat een republikein de hand heeft gehad in het bepalen van de spelregels. In de beginstelling staat hij op de eerste of achterste rij naast de dame en hij mag in elke richting een stap doen, maar dan natuurlijk niet naar een veld dat door een vijandelijk stuk wordt beheerst. Eenmaal is hem een bijzondere zet veroorloofd, de rokade, tenzij hij door een vroegere zet het recht daarop heeft ver­speeld. Het enige dat hij voor heeft op zijn onder­danen is dat hij niet weggestuurd kan worden van het bord, hij kan slechts worden matgezet. Dikwijls staat hij lang niets te doen, ten laste van de zijnen die er op letten moeten dat hij niet te nauw ingesloten, noch te weinig beschermd gelaten wordt. Pas later, in het eindspel, kan hij actief worden en met kleine pasjes grote daden verrichten.

Historisch beschouwd, is er over de koning niet veel interessante te vertellen. Hij werd in alle talen en in alle tijden koning genoemd en was dat ook. Hoog­stens kan men zeggen dat hij vroeger bij de Indiers, Perzen en Arabieren betere tijden gekend heeft, toen de macht van de fers naast hem nog niet zo groot was. Maar we vermeldden het al eerder: de fers werd een ondernemende dame, die in elke partij – zo gauw als zij maar kan – met grote schreden aan de haal gaat. Veel, niet alle, psychoanalytici zien in de koning de vaderfiguur en in het schaakspel een gespeelde vadermoord, in verband met het Oedipuscomplex, enzo ontstond zelfs de theorie dat vrouwen wel nood­gedwongen minder goed schaken dan mannen, omdat zij dit complex niet hebben en het doden van de vader daarom geen onbewust verlangen is. Men komt ove­rigens uiteraard dikwijls de tegenwerping tegen, dat een schaker niet zijn eigen vader doodt maar de vijandelijke. Daarbij komt nog, dat hij zijn eigen vader met behulp van zijn eigen moeder, de dame, verdedigt. Dat wijst eerder op een intact zijnd gezins­leven. Zo eenvoudig is het natuurlijk niet allemaal, maar hoewel in de psychoanalyse de manifesto bete­kenis niet altijd aan de werkelijke, latente beant­woordt, moot men zich toch voor een overtrokken interpretatie hoeden en zich maar liever houden aan de overduidelijke bedoeling van het gevecht tegen de vijandelijke koning. Freud zelf weer het in 1922 on­danks veler aandringen van de hand, het schaakspel psychoanalytisch te verklaren.

Peter Fuller maakt in zijn 'The champions. A Psychoanalytic Study of the Heroes of Sport' de inte­ressante opmerking: 'De schaakspeler lijkt op Ham­let, die voortdurend van plan is de vader te vermoor­den, maar er niet toe komt (want een zet voor de koning geslagen wordt, is de partij al ten einde). Hij stelt zich ermee tevreden te bewijzen, dat hij het had  kunnen doen, wanneer hij gewild had.’

Loper

Elke speler heeft twee lopers, een op een wit veld en een op een zwart veld. Zij bewegen zich diagonaal voort, willekeurig ver, en blijven dus altijd op hun eigen kleur. De meeste kracht ontplooien zij met z'n tweeen samen. Dat iedere speler er op uit is, zijn lopers zo snel mogelijk in het spel te brengen en diagonalen voor hen vrij to maken, spreekt vanzelf. Een loper die geen bewegingsvrijheid heeft en eigen­lijk niets anders kan doen dan een pion, noemt men wel eens terecht kleinerend 'een grote pion'.

Historisch gezien vertoont de ontwikkeling van de loper een reeks vergissingen en misverstanden. In het Indische chaturanga was hij een olifant, ook bij de Perzen en Arabieren. Verder bleef hij in enkele Azia­tische landen een olifant. In West-Europa leefde hij een tijdlang hier en daar nog als olifant. Nu nog slechts in enkele landen: Spanje (alfil) en Ita1ie  (al­fiere). In Portugal is merkwaardigerwijs de naam bisschop ingeburgerd (bispo).

De schaakstukken van de Arabieren waren geen af­beeldingen in de zin van de wetten van Mohamed en waren dus niet verboden. Zij waren symbolische voorstellingen. Zo werd voor de olifant de vorm ge­vonden van kromme, naar elkaar toegekeerde slag­tanden. In Frankrijk vatte men die voorstelling op als een zotskap en het stuk werd en wordt daarom fou (nar) genoemd. De Engelsen zagen in dezelfde af­beelding een mijter van een bisschop en zo ontstond de Engelse bishop. De mijter is tegenwoordig het algemeen gebruikte symbool voor de loper.

Geen enkel schaakstuk vertoonde zoveel variatie in zijn uiterlijke verschijning als de loper, hoewel hij tegenwoordig bijna in alle landen in de dagelijkse gebruiksvorm er hetzelfde uitziet, ondanks de soms nog verschillende benamingen. Maar vroeger was het merkwaardig, dat hetzelfde stuk afgebeeld was als olifant met of zonder torentje op de rug, soms met een ruiter, vaak ook als een narrenkap met belletjes, als een lopende koerier of bode en tenslotte zelfs als een bisschop in vol ornaat, met de bisschopsstaf. Een rijke verscheidenheid!

 

Middenspel

Zonder dat men een scherpe scheidingslijn kan trekken, begint het middenspel nadat de eerste opmars en de ontwikkeling van de stukken is voltooid. In het middenspel probeert men door positiespel de stand van zijn stukken te verbeteren, of door combinatie­spel op kortere termijn voordeel te behalen. Het mid­denspel gaat na de vermindering van het aantal stuk­ken in het eindspel over, dat zich weer meer — zoals de opening — systematisch laat bestuderen en dus ook theoretisch grondig kon worden doorvorst.

 

Notatie

Voor het opschrijven van partijen gebruikt men sinds het begin van de 18e eeuw de algebraische notatie, die door Stamma uitgevonden is. De Angelsaksische we­reld, die tot nu toe een eigen notatie had, heeft zich tegenover de FIDE verbonden vanaf 1 januari 1981 ook uitsluitend de algebraische notatie te gaan ge­bruiken.

Op het schaakbord wordt elk veld aangeduid met een letter plus een cijfer. De velden op de eerste rij heten a 1, b 1, enzovoort, van links naar rechts, tot en met h 1. Op de tweede rij is dat a2 tot en met h2. Op de achtste rij staan de velden a8 tot en met h8.

De officieren worden met de beginletter van hun naam aangeduid (K=koning, D=dame, T=toren, L=loper, P=paard). Pc3 is dus het paard dat op het veld c3 staat. Gaat het naar veld e4, dan schrijven wij Pc3-e4. Bij een pion gebruiken wij geen beginletter, maar volstaan met het noemen van het veld. 'De pion van a2 gaat naar a4' wordt dus ‘a2-a4’. Verder gebruiken we nog de volgende tekens:

notatie

De omschrijving b7-b8D betekent: de pion gaat pro­moveren tot dame op het veld b8.

Als men gewend is aan deze notatie, kan men ook de 'korte notatie' gaan gebruiken. Men geeft dan alleen maar het veld aan, waarheen het stuk gaat. In plaats van Pg1-f3 schrijft men kortweg Pf3 en in plaats van e2-e4 komt e4 te staan. Soms zou echter het veld f3

door twee paarden bereikt kunnen worden. In dat geval schrijft men zo kort mogelijk erbij waar het paard vandaan komt, bijvoorbeeld Pgf3. Txh4 bete­kent dat de toren een pion op h4 neemt. Heel ge­bruikelijk was tot nu toe, dat men in plaats van Txh4 ook Th4: schreef, maar na I januari 1981 mag van de FIDE de dubbele punt niet meer worden gebruikt. De FIDE beveelt trouwens ook aan, bovengenoemde beginletters van de stukken in publicaties te vervan­gen door de bekende, witte diagramfiguurtjes, zodat men een internationaal leesbare notatie krijgt. Hope­lijk gaat men dan wel ruim drukken, anders wordt de paginawel erg onrustig. Beter zou het nog zijn deze aanbeveling slechts te beperken tot een gering aantal speciale publicaties.

In 1976 heeft Christiaan M. Bijl prive het geschrift 'De schaaknotitie van 17 Europese landen' uitgege­ven. In 32 bladzijden kunnen liefhebbers van dit onderwerp veel van hun gading vinden.

 

Offers

Van een offer spreekt men als er een stuk prijsgege­ven wordt zonder er een gelijkwaardig stuk van de tegenstander voor terug te krijgen. De bedoeling van een offer is altijd het behalen van stellingvoordeel of de snelle uitvoering van een goed voorbereide aanval zonder te letten op materiele ver­liezen. Wie de bedoeling van het offer doorziet, hoedt zich er natuurlijk voor het aan te nemen, maar in de romantische periode werd het als onridderlijk be­schouwd, een offer niet aan te nemen.

Het meest spectaculaire offer is vanzelfsprekend het dameoffer. Bij de Europese kampioenschappen in Oberhausen werd de Tsjechoslowaakse meester Hort door een dameoffer van Keres zo in de war gebracht, dat hij van zijn stoel viel. Zo gaat althans het verhaal. In werkelijkheid nam hij de dame. Vijf zetten later zat Hort 45 minuten na te denken. Hij zat te schommelen en viel toen pas van zijn stoel! Het beroemdste dameoffer werd in 1956 door de der­tienjarige Fischer gebracht in een partij tegen Robert Byrne in het Rosenwald-toernooi in New York. Hans Kmoch roemde in Chess Review 'de partij van de eeuw'. Byrne viel op de 16e zet de zwarte dame aan met een loper. Fischer gaf eerst een

Tussenschaak en op de 17e zet verzette hij een loper, in plaats van als eerste zijn dame veilig te stellen. Byrne nam het offer aan en Fischer bereikte daarmee een stellingvoor­deel, dat hem – na het veroveren van enkele witte stukken – op de 41e zet in staat stelde, mat aan te kondigen.

De 17e zet van Fischer werd door de Engelse schaak­meester en auteur Gerald Abrahams 'een der beste zetten uit de schaakgeschiedenis' genoemd en de Fischer-biograaf  Frank Brady schreef 'dat over deze zet nog eeuwenlang gepraat zou worden'. Fischer zelf merkte in zijn partijcommentaar op: Een verras­send dameoffer dat dwingend tot winst leidt.’

 

Opening

Het begin van de partij, grof gezegd de eerste tien of vijftien zetten – tegenwoordig soms wat meer – waar­bij het er om gaat de stukken te ontwikkelen en tot hun kracht te laten komen, dat wil zeggen: ze in een voor het middenspel gunstige positie te brengen. De opening is de partijfase, die het grondigst is en wordt bestudeerd en geanalyseerd. In de openingstheorie wordt onderscheid gemaakt tussen open, halfopen en gesloten spelen.

Bij open spelen begint wit met de dubbele stap van de koningspion en geeft zwart hetzelfde antwoord. Bij halfopen spelen doet wit dezelfde zet, maar geeft zwart een ander antwoord, en bij gesloten spelen begint wit met een andere dan de bovengenoemde. De beginner, die heel origineel wil openen en bij­voorbeeld een pion, die voor een paard staat, voor­uitschuift, zal er wel spoedig achter komen dat ge­sloten spelen in het algemeen gecompliceerder zijn dan open spelen.

De openingstheorie betreft natuurlijk niet alleen de aanvalspogingen van wit, maar ook de verdediging van zwart. Reeksen openingszetten worden wel sys­temen genoemd. Het aantal openingssystemen is veel te groot om er hier ook maar een heel globaal over­zicht van te geven. Hele boekenplanken, ja, boekenkasten kunnen gevuld worden met boeken over de opening. Daarin vindt de beginner dan bijvoorbeeld tot zijn verbijstering, dat Nimzowitsj de Indische ver­dediging gewijzigd heeft en dat Spasski uitvoerig ge­experimenteerd heeft met een variant, die al door Tarrasch was voorgesteld. Men spreekt dan van de Spasski-Tarrasch variant van het Nimzo-Indisch .

 

Paard

Elke speler heeft er twee, staande naast de torens. Een paard gaat een recht, een schuin; voor- of achter­uit, naar links of naar rechts. Als enig schaakstuk springt het paard over een veld, dat door een eigen of een vreemd stuk bezet is. In dat springen zit zijn kracht en vooral in de onver­hoedse sprongen van een paard twee of drie achter elkaar. Het is het enige stuk, dat in ongedekte positie zelfs een dame (en tegelijk nog andere stukken) kan aanvallen zonder zelf direct geslagen te kunnen wor­den. Bij een 'familieschaak ' kan een paard bijvoor­beeld een koning, dame en toren tegelijk aanvallen. Op de paardesprong zijn van oudsher allerlei puzzels gebaseerd. De Arabieren kenden al een schaakpuz­zel, waarin het witte paard alle zwarte stukken, die niet verzet mochten worden, in een zo klein mogelijk aantal zetten moest nemen. In de 'paardesprong­puzzel' moest een paard alle velden van het bord eenmaal bezetten en uiteindelijk op het uitgangsveld terugkeren. Tegenwoordig ziet men bij televisiewed­strijden vaak de opgave om een woord samen te stellen uit letters, die door paardensprongen aan elkaar geregen moeten worden. Op soortgelijke manier ziet men in denksportrubrieken wel diagrammen met vel­den, die elk een lettergreep bevatten. Met behulp van de paardensprong dient men dan zinnen of versregels te vormen.

Historisch beschouwd is het paard het stuk dat geen veranderingen heeft ondergaan. Het moge een paard, een ruiter of een ridder zijn, dus steeds een vertegenwoordiger van de cavalerie, maar dit stuk heeft altijd de onveranderlijke sprong getoond, zowel bij het Sit­tuyin-spel in Burma als bij het Shogi in Japan en het Chinese schaak. Tal van niet-schakers kennen de sprong, die het paard vanaf het Indische chaturanga tot in het huidige schaak mag makers. Een spectacu­lair en boeiend stuk.

 

Pat

Bij politieke onderhandelingen wordt vaak van een patstelling gesproken. Dat is een teken dat deze schaakterm voor ieder duidelijk geworden is en dat men beseft dat er zich een stilstand voordoet en geen van beide partijen meer een stap voorwaarts kan doen of voordeel op de ander kan behalen. Deze positie ontleent men dus aan het schaakspel: de koning van de aan zet zijnde partij staat weliswaar niet schaak, maar hij kan niet zetten zonder schaak te gaan staan en geen van zijn stukken – als hij ze nog heeft – kan een zet doen omdat ze alle 'geblokkeerd' zijn. Het spel kan dus niet verder. De tegenstander is er echter niet in geslaagd hem mat te zetten en daar­om eindigt de partij dus onbeslist of remise. Dat is echter niet altijd het geval geweest. Uit een Londense uitgave (1656) van Greco, de Calabrees, blijkt dat men in die tijd het winstpunt gaf aan de koning die pat stond! En in de uitgaven van Philidor's ' Analyse' (o.a. in die van 1820) staan de Engelse Spelregels, die aangeven dat de pat staande koning Wint. Philidor vermeldt erbij, dat in Frankrijk de par­tij dan als remise beschouwd wordt. Kersteman for­muleert dat in zijn Philidor-vertaling van 1876 als volgt: 'In Engeland wind de geene die zyn Koning Pat is; in Vrankryk en meer andere Landen behoort het Pat tot de spellen, die niet gewonnen nog verloren worden'. In het Frans staat 'le pat est un refait': men moet opnieuw beginners.

 

Penning

Een stuk is gepend als het niet verzet kan worden omdat daardoor de koning schaak zou komen te staan of een ander waardevol stuk genomen zou kunnen worden. Kurt Richter heeft een zeer bruikbare inde­ling van penningen gemaakt: hij onderscheidt echte, bijna echte en onechte penningen.

Bij een echte penning staat bijvoorbeeld een paard gepend tussen zijn eigen koning en een vijandelijke toren. Het paard kan dan in geen geval verzet wor­den. Bij de bijna echte penning staat bijvoorbeeld een toren tussen zijn koning en een vreemde toren. Het pennende stuk kan dus geslagen worden.

Een voorbeeld van een onechte penning is een toren, die door een loper wordt aangevallen. Als hij ver­mijden wil geslagen te worden, moet hij wegtrekken. Maar dan wordt zijn dame genomen door de loper. Het blijkt nu een onechte penning te zijn, als de toren kan wegtrekken met koningschaak. Na het opheffen van het schaak kan de aangevallen dame zich dan ook nog redden, of zelfs de loper nemen.

 

Pionnen

Van oudsher waren zij de voetknechten van het spel, het voetvolk (Latijn: pedes. Spaans: peon). Het sinds de zestiende eeuw in Frankrijk gebruikelijke 'pion' heeft pas in de loop van de negentiende eeuw, te beginnen met de Franse tijd, het uit het Duits af­komstige 'boer' vervangen in de Nederlandse taal.

De regels over de beweging der pionnen hebben his­torisch weinig wezenlijke veranderingen ondergaan. Beginnelingen makers vaak de fout de pionnen onbe­langrijk te vinden en als kanonnenvlees in het gevecht te werpen, zodat bun partijen met een bloedbad onder de infanteristen beginnen. In werkelijkheid is de pion echter een belangrijk stuk en het eist veel studie enervaring om met de pionnen goed te manoeuvreren en hun mogelijkheden volledig te benutten.

Een pion gaat telkens een veld naar voren. Alleen vanaf zijn eerste standplaats mag hij twee velden oprukken  (sinds een nieuwe Italiaanse regel van 1275). Hij gaat niet horizontaal en diagonaal, ook mag hij niet achteruit. In tegenstelling tot alle andere stukken slaat hij niet zoals hij gaat! Een pion slaat schuin naar voren. Een pion, die geen vijandelijke pion voor zich heeft, en niet meer geslagen kan wor­den door een pion, is een vrijpion. Op de laatste rij aangekomen, mag (en moet) de pion vervangen wor­den door een officier van eigen kleur. Meestal zal dat een dame zijn, maar ook een toren, loper of paard is mogelijk. De pion 'promoveert' dan tot dame, en­zovoort. Het doet er niet toe, hoeveel officieren er nog op het bord staan. Men kan dus soms drie dames hebben.

Een bijzondere mogelijkheid van een pion is het 'en Passant' slaan (e.p.). In de regels van de wereld­schaakbond wordt het als volgt omschreven: 'Een Pion die een veld bestrijkt, dat zo juist is gepasseerd door een vijandelijke pion, die vanuit zijn oorspronkelijke veld twee velden is opgerukt, mag deze vijandelijke pion slaan, als ware deze maar een veld op­gerukt. Dit slaan noemt men 'en passant' slaan. Het en passant slaan moet onmiddellijk gebeuren, nadat de mogelijkheid hiertoe is ontstaan'.

Een voorbeeld: Een witte pion heeft het veld g5 be­reikt. De zwarte f-pion doet zijn eerste twee stappen vooruit, zodat hij op f5 naast de witte pion staat. Wit doet alsof de zwarte pion maar een stap heeft gedaan: hij plaatst zijn pion op f6 en haalt de zwarte f5-pion van het bord. Men mag e.p. slaan, maar is het niet verplicht. In een uitzonderingsgeval moet e.p. geslagen worden: wan­neer namelijk een patstelling zou ontstaan als de pion niet zou slaan. In dat geval moet dus het veld voor de slaande pion door de vijand bezet zijn. Er geen ander eigen stuk moet kunnen zetten.

Enigszins verwarrend zijn in het begin de namen en de bijzondere aanduidingen der pionnen. Heel ge­bruikelijk is, dat een pion genoemd wordt naar het stuk dat in de beginstelling achter hem staat: konings­pion, damepion, enz. De torenpion wordt meestal randpion genoemd. Verder spreekt men van cen­trum- en vleugelpionnen. Een pion, die ten opzichte van zijn buurpionnen achtergebleven is en die niet verder kan omdat het veld voor hem door de tegen­stander bezet of bestreken is, heet een 'achtergeble­ven pion'. En een pion, die op de lijnen naast zich geen collega-pionnen heeft, en dus alleen nog maar door een officier gedekt kan worden, heet een 'geiso­leerde pion' of 'isolani' (meervoud in het Italiaans, enkelvoud in het schaakjargon!).

Tenslotte nog een bijzonder beeldende benaming: Een pion die zover de vijandelijke stelling is binnen­gedrongen, dat hij een bedreiging wordt — bijvoor­beeld doordat hij een eigen officier bij het matzetten kan dekken — wordt 'een doorn in het vlees' genoemd.

Promotie

Promotie is de term voor het veranderen van een pion in een ander stuk, zodra hij de laatste rij van het schaakbord bereikt heeft. Volgens de regels moet de pion ver­anderen in een dame, toren, loper of paard. Voor de beginner lijkt deze keuze weinig zinvol omdat hij natuurlijk geneigd is het sterkste stuk – de dame – te kiezen.

Dat het echter wel degelijk zin heeft, er even over na te denken, voordat men automatisch een dame kiest, ontdekt men vanzelf wel in de praktijk, als bijvoorbeeld blijkt dat de vijandelijke koning pat kwam te staan door het kiezen van een dame. De partij werd dus remise, terwijl het best had kunnen zijn, dat het kiezen van een paard tot mat had geleid.

 

Remise

Is geen van beide tegenstanders in staat om mat te forceren, dan is het resultaat onbeslist of remise. Remise ontstaat:

  • Als geen speler meer over voldoende materiaal be­schikt om zijn partner mat te zetten; in het uiterste geval dus wanneer slechts de koningen nog op, het bord staan, maar welke verstandige speler laat het zover komen?;
  • als een speler weliswaar voldoende materiaal heeft, maar geen kans ziet te winnen. Bijvoorbeeld doordat hij de theorie van het eindspel niet voldoende kent;
  • als een speler de andere koning schaak kan blijven geven zonder mat te kunnen bereiken (remise door eeuwig schaak);
  • als de koning van de aan zet zijnde partij met zijn andere stukken pat staat;
  • als de spelers, remise overeenkomen;
  • als beide spelers dezelfde zetten herhalen en als daarbij dezelfde speler voor de derde maal in dezelfde stelling aan zet is. De stelling moet volkomen gelijk zijn. Als een pion op een ander veld komt te staan, is de zetherhaling onderbroken. De remise moet echter direct geclaimd worden, door welke speler dan ook;

Een speler, die slechter staat, doet dus verstandig remise door herhaling van zetten te forceren, als hij daar kans toe ziet. Een tegenstander, die dat niet vermijden kan, heeft dan wel pech.

In een toernooi ziet men helaas vaak dat er remise geschoven' wordt, al of niet op grond van een ge­heime afspraak. De afloop van de partij geeft bijvoor­beeld voor beide deelnemers geen kans meer op een prijs, of men durft elkaar niet aan en is bij voorbaat tevreden met remise. In de regel is het wel een gebrek aan strijdlust, maar soms wil men in een ronde zijn krachten sparen voor een belangrijkere volgende ronde. Vermoeidheid kan dan een gegronde reden zijn, maar ook toernooi-tactiek.

De regels bepalen ook, dat een partij remise is, zodra een speler kan bewijzen, dat er vijftig zetten Lang geen pion verzet is of geen stuk geslagen is. In enkele gevallen maakt de FIDE een uitzondering, wanneer bewezen wordt dat een eindspel met bepaalde stuk­ken voor de matvoering meer dan vijftig zetten kan vereisen.

 

Rokade

Dit is een zet die door de koning en de toren tegelijk worden uitgevoerd: de koning doet twee stappen in de richting van de toren en de toren springt over de koning naar het veld vlak naast hem aan de andere kant. Omdat op de damevleugel tussen de koning en de toren drie velden liggen en op de koningsvleugel maar twee, noemt men de rokade op de damevleugel de lange rokade en die op de koningsvleugel de korte rokade . In de notatie worden deze rokades respec­tievelijk aangegeven met o-o-o en o-o. Slechts wan­neer de koning en de toren beiden nog niet van hun plaats zijn geweest, mogen zij rokeren. Een schaak­staande koning mag niet rokeren. Als een veld, dat de koning bij een rokade passeren wil, door een vijande­lijk stuk bestreken is, kan de rokade niet plaatsvin­den. De toren mag wel aangevallen zijn en bij de lange rokade mag het veld naast hem wel door zijn tegen­stander bestreken worden. De koning moet eerst verplaatst worden, want dan is aan deze zet al te zien, dat het geen gewone konings­zet is, maar het begin van de rokade. Verzet men eerst de toren, dan zou men dat als een volledige zet kunnen beschouwen en de zet met de koning kunnen verbieden!

 

Schaak en Mat

Valt een vijandelijk stuk de koning aan, dan geeft het schaak. Onder 'een stuk aanvallen'  verstaat men dat een stuk een positie inneemt van waaruit het op de volgende zet een vijandelijk stuk kan slaan. De ko­ning mag echter niet geslagen worden. Hij moet ter­stond, op de volgende zet, aan de aanval onttrokken worden. Dat kan op drie manieren:

De koning wijkt uit naar een niet bedreigd veld, of men kan een stuk tussen de koning en het schaakgevende stuk zetten, of men slaat het schaakgevende stuk. Bijzondere vormen van schaak geven zijn het tussenschaak, waarbij degene die in gevaar verkeert even tussendoor een schaakje geeft om tijd te winnen ter verbetering van zijn stelling. Daarmee kan soms ook een directe dreiging voorkomen worden. En ver­der het 'schaak der wrake' of wraakschaakje: men staat verloren, maar geeft toch de vijandelijke koning nog even een schaakje. Het heeft geen enkele zin, want het is uitstel van executie. Een sadistisch ge­noegen.

Is geen van de drie genoemde verdedigingen tegen een schaakzet mogelijk (zie ook onder 'aftrek­schaak'), dan staat de koning mat, of schaakmat . De uitdrukking komt uit het Perzisch (Sjah, koning) en uit het Arabisch (mat, dood). Schaakmat betekent dus 'de koning is dood'.

Van stikmat spreekt men als de koning bij een schaak niet kan uitwijken, omdat hij door zijn eigen stukken ingesloten is. Hij 'stikt' omdat hij geen lucht meer heeft. 'Wat is een mens zonder ventiel?’ vroeg Tar­rasch bij een dergelijke situatie.

Een ander bekende matstelling, die vaak een rol speelt in de praktijk en waarop men dus altijd moet letten, is 'het mat op de achterste rij': de schaak­staande koning staat achter zijn eigen pionnen en heeft dus geen vluchtveld.

 

 

Slaan

Slaan gebeurt als volgt: een stuk gaat staan op een veld dat door een vijandelijk stuk bezet is, waarna dit laatste stuk van het bord wordt weggenomen. Op zichzelf behoeft dat geen nadere toelichting, maar de beginner moet wel weten, dat hij bij het slaan niet eerst het vijandelijke stuk van het bord moet nemen en daarna pas zijn eigen (slaande) stuk op het vrijgekomen veld gaat plaatsen. Hij is verplicht eerst het eigen stuk in de hand te nemen en dan pas het vijandelijke stuk met het zijne te verwisselen. De zin van deze regel komt onder 'Spelregels' ter sprake.

 

Sonneborn‑Berger‑punten

De Sonneborn-Berger-score (SB), ook wel Buchholtz II genoemd, van een speler is de som van de gescoorde punten van de tegenstanders van wie betrokkene heeft gewonnen, vermeerderd met de halve som van de gescoorde punten van die tegenstanders, waarmee hij remise heeft gespeeld.

Voorbeeld van de berekening van SB

Van speler 57 zijn in regel 1 de nummers der tegenstanders vermeld, regel 2 geeft de score aan die nr. 57 tegen betrokkene heeft behaald, regel 3 vermeldt de totaalscore van elk der tegenstanders.

nr.tegenstander

1

5

8

14

21

28

39

resultaat nr. 57

0

½

1

1

½

½

0

score tegenstander

2

5

4

6

SB van nr: 57 = 0 + 2¼ + 2 + 5 + 2 +3 + 0 = 14¼

 

 

Snelschaak

Voor een snelschaakpartij wordt een sterk beperkte bedenktijd afgesproken, bijvoorbeeld 5, 8 of 10 minu­ten per speler. De wijzer van de schaakklok wordt op het aantal afgesproken minuten v66r het voile uur gezet. Voor een gongwedstrijd, waarbij om de vijf of tien seconden op een gong geslagen wordt, gebruikt men tegenwoordig ook een geluidsbandje, waarop een stem de woorden 'wit zet' en 'zwart zet' herhaalt. Uiterste concentratie en snel reactievermogen zijn voor het Snelschaak vereist. alleen goed getrainde spelers brengen het er goed af, maar ondanks deze moeilijkheid is dit soort schaken heel populair. Een van de allerbeste snelschakers was in zijn tijd Bobby Fischer . Het beroemdste snelschaaktoernooi, dat ooit gehouden werd, was dat van Belgrado 1970, na de match van de Sovjet Unie tegen de 'rest van de wereld'. Fischer won voor Tal en Petrosjan. Fischer dicteerde na afloop foutloos alle zetten van al zijn partijen.

Voor snelschaakwedstrijden gelden afzonderlijke regels. Bijvoorbeeld: men moet de knop van de klok indrukken met dezelfde hand als waarmee men gezet heeft. En wanneer men een zet doet, die reglementair niet kan, heeft men verloren, als de tegenstander daarop wijst voordat hij zelf een zet doet. Als men zijn koning dus schaak laat staan, heeft men alleen verloren als de tegenstander daar direct op wijst en niet verder Speelt. Hij kan natuurlijk ook de koning slaan.

Het kernachtige woord 'blitzpartij' is vervangen door 'vijf-minuten-partij' en de termen blitzen, blitztoer­nooien en blitzwedstrijden zijn wat uit de mode geraakt.

Spelregels

De spelregels omvatten zowel de algemene regels als de wedstrijdregels. Het congres van de FIDE heeft sinds 1929 de spelregels exact geformuleerd om bij internationale ontmoetingen misverstanden te ver­mijden. In geval van twijfel behandelt de FIDE commissie voor de regels de eventueel gerezen kwes­ties. Zij doet ook uitspraken bij conflicten. Soms is het gevolg dat de FIDE op het jaarlijkse congres enkele interpretaties aanneemt. Deze  interpretaties worden in elke nieuwe uitgave van de regels direct bij de betreffende artikelen gepubliceerd, zodat alle wedstrijdleiders ter wereld op de hoogte zijn met de officiele FIDE-mening. Veel schaaktijdschriften ge­ven steeds bekendheid aan de nieuwe interpretaties, zodat ook de wedstrijdspelers op de hoogte blijven.

Naast de verschillende spelregels, die al in het alfabet werden behandeld, bijvoorbeeld bij de namen der stukken en bij de beschreven schaaktermen, noemen wij hier nog enkele van de belangrijkste artikelen.

Een partij is ongeldig als blijkt dat de stukken ver­keerd stonden opgesteld, of als er een 'onmogelijke' zet gedaan is (bijvoorbeeld het schaak laten staan van de eigen koning). Als die zet echter op initiatief van een der spelers teruggezet wordt voordat de tegen­partij gezet heeft, moet er een andere zet worden gedaan en is de partij dus niet ongeldig.

Na een onreglementaire rokade moeten beide stuk­ken weer teruggezet worden. De koning is dan ver­plicht een zet te doen. Als dat onmogelijk is mag de schuldige speler een andere zet doen, dus eventueel zelfs aan de andere kant rokeren.

Een speler, die aan zet is, mag een verschoven stuk correct op zijn veld zetten, mits hij van te voren zijn tegenstander even waarschuwt met een 'even recht­zetten' of met het internationaal geldige ' j' adoube' (ik raak aan zonder te spelen). Een regel waartegen door beginners en dilettantes helaas nogal eens gezondigd wordt, is het aanraken is zetten. Met het aangeraakte stuk moet een zet gedaan worden. Als dat niet kan, mag de speler een andere zet doen. Is een stuk eenmaal verzet en losgelaten, dan mag niet meer teruggezet of op een ander veld geplaatst worden: gezet is gezet. Raakt een speler per ongeluk een stuk van de tegenstander aan, dan is hij verplicht het te slaan. Als hij op verschillende manie­ren kan slaan, dan heeft hij de vrije keuze zolang hij daarvoor nog geen eigen stuk aangeraakt heeft. Een speler mag slechts bezwaar maken tegen een overtreding van zijn tegenstander, zolang hij zelf na de overtreding nog niet gezet heeft.

Bij de promotie van de pion is de zet pas beeindigd, als het nieuwe stuk gekozen en op zijn plaats gezet is. Ree drukte eens zijn klok in, toen hij de pion op de achtste rij gezet had. Najdorf maakte terecht daar­tegen bezwaar.

Voor snelschaakwedstrijden heeft de FIDE ten slotte nog een afzonderlijk reglement gemaakt.

Sommige nationale schaakbonden hebben de goede gewoonte een vertaalde en bijgewerkte uitgave van de spelregels ter beschikking van de leden te stellen, met de interpretaties. Bij eventuele geschillen geldt echter alleen de door het FIDE-congres goedgekeur­de versie. De Nederlandse uitgave van 1979 is bij de KNSB te verkrijgen.

 

Tempo

Dit woord betreft niet de snelheid waarmee de zetten worden gedaan, maar het slaat eerder op een zo zui­nig mogelijk gebruik van het aantal zetten, dat bij­voorbeeld nodig is om een stuk goed tot ontwikkeling te brengen. Van 'tempo-verlies' wordt gesproken als een loper in een zet naar een veld had kunnen gaan, en er met een tussenlanding onnodig twee zetten over doet. Men heeft een 'tempo te weinig' als men net een zet te kort komt om bijvoorbeeld de promotie van een pion tegen te houden. Soms kan men 'tempo-winst' boeken door een eigen stuk of te ruilen, dat in de weg staat. Men kan daarmee een of meer zetten winnen, omdat er anders om het stuk heen gelaveerd zou moeten worden.

Beginners verliezen in de regel veel tempi door zon­der een vast plan stukken heen en weer te schuiven. Gevorderden weten dat het voordeel van de eerste zet voor wit juist daarin ligt dat hij een tempo voor heeft in ontwikkeling en hij zal dat tempo niet graag prijsgeven.

Toren

Met de dame behoort de toren tot de 'zware' stukken. Hij beweegt zich op de lijnen en rijen, dus verticaal en horizontaal, zover als hij maar wil. Iedere speler heeft twee torens, die op de hoekvelden staan opge­steld.

Wie schaken leert, verbaast zich er niet zelden over dat de toren, die toch zinnebeeld is voor het impo­sante en massieve, zulke verre zetten kan doen.  De beginner merkt dan wel gauw op: gemakkelijk is hij niet in beweging te krijgen, omdat er eerst ruimte voor hem moet worden vrijgemaakt en dat duurt bij de meeste openingen nogal lang. De verklaring is eigenlijk eenvoudig. In Perzie en Arabie gebruikte men voor de toren een wagen (roch of ruck) en die beweegt zich als strijdwagen uiteraard sneller dan een toren.

Waarom verving de toren later de roch? Daarvoor zijn tot nu toe twee verklaringen te geven. Het Ara­bisch-Perzische woord roch - uit het Sanskriet af­komstig - lijkt erg op het Italiaanse woord rocco, dat vesting betekent. En de eenvoudigste, gestileerde voorstelling van een vesting is een toren.

De tweede verklaring meent dat er een misverstand in het spel is, een verwisseling. Indische handelaren verkochten in Europa schaakstukken, waarvan de loper was uitgebeeld als een olifant met een kleine toren op de rug, een afweertoren. De loper heette welliswaar fil of alfil, wat olifant betekende, maar had bij gwone schaakstukken nooit de gedaante van een

olifant. Daardoor bracht men de olifant niet meer met de fil in relatie; men wist met de 'olifantentoren' niets meer te beginners, plaatste die op het veld van de roch – en liet ten slotte de olifant onder de toren weg.

Bij deze hele verwisselings geschiedenis valt te be­denken, dat de Europeanen bij het eerste contact met het Arabische schaak geen 'natuurgetrouwe' konin­gen, viziers enzovoort te zien kregen, maar onher­kenbaar gestileerde stukken met meestal onbegrijpe­lijke namen. Bij een roch stelde men zich niets voor, alleen de loop van het stuk was belangrijk. De gesti­leerde stukken uit de wereld van de Islam moesten voor Europa een aangepaste vorm krijgen en zoals uit de genoemde voorbeelden blijkt konden daarbij to­taal verschillende wegen begaan worden. Op het laatst bleven van de oorspronkelijke stukken van het Indische chaturanga alleen nog maar de koning en het paard over – met de pionnen, als men het typische voetvolk van de middeleeuwse legers ten minste ge­lijk wil stellen met de Indische 'padati'.

 

Vork

'Dan geef ik je een vorkje', laat Lessing in Nathan der Weise Sittah over het schaakbord heen zeggen aan haar broer Saladin – een sprekend bewijs dat vertrouwde schaaktermen al heel lang een eerbiedwaar­dige ouderdom kunnen hebben.

Een vork is de gelijktijdige bedreiging van twee stuk­ken door een vijandelijk stuk, meestal een paard of een pion, zodat slechts een stuk gered kan worden.

Beginners worden vaak het slachtoffer van een vork met een paard. Zij zagen dan niet dat het paard met een vork dreigde. Een vorkje met een pion ziet men gemakkelijker aankomen. De nadelige gevolgen van een vork worden natuurlijk vermeden als men het gevaarlijke stuk kan slaan. In het afgedrukte voor­beeld staat de koning schaak. Het verlies van de dame is dus niet te voorkomen. Als echter bijvoor­beeld door een vork een dame en een toren instaan, kan het wel eens lukken met de dame weg te gaan en koningschaak te geven, waarna dan vaak de toren nog aan de verovering door het paard ontkomen kan. Voor de kwaadaardigste vorm van een vork vond men merkwaardigerwijs een heel gezellige uitdruk­king: het 'familieschaak ', waarbij een paard zowel de koning als de dame en een toren aanvalt, en bijvoorbeeld ook nog een loper!

Waarde der stukken

Over de onderlinge waarde van de stukken is men het zo langzamerhand wel eens. Op grond daarvan kan een speler tijdens een partij steeds opmaken, hoe de materiele verhouding der twee tegenstanders zich ontwikkeld heeft. Een eenvoudig rekensommetje is dat niet altijd, want de hieronder genoemde waarde­verhoudingen kunnen geen rekening houden met bij­zondere stellingen: Een vrouw kan duizend mannen te erg zijn. En een sterk opgesteld paard kan meer waard zijn dan een zwakke loper, hoewel een paard in de regel in waarde gelijk wordt geacht aan de loper. Twee lopers worden daarentegen vaak iets sterker beschouwd dan twee paarden, wanneer zij volledige bewegingsvrijheid hebben. De dame is over 't alge­meen even sterk als twee torens, maar de torens moeten dan wel verbonden zijn. Theoretisch is een dame ook evenveel waard als drie lichte officieren, maar nogmaals: het hangt of van de stelling.

Volgens veel leerboeken is toch nog altijd de een­voudigste en duidelijkste waardeverhouding:

  • Dame 9 punten,
  • Toren 5,
  • Loper en Paard 3,
  • Pion 1 punt.

De pionnen winnen aan waarde naarmate het eind­spel nadert, en de achtste lijn...

Met de kwaliteit wordt het verschil van een toren en een loper of paard bedoeld. Een kwaliteitswinst is in de regel zeer voordelig, maar vooral sommige Rus­sische grootmeesters offeren nogal eens een kwaliteit de Russische kwaliteit – om een betere stelling te bereiken, ook al wordt er niet direct een winststelling mee bereikt.

 

Weerstandspunten

De weerstandspunten (WP), ook wel Buchholtz‑ of Solkoffscore genoemd, van een speler is de som van de gescoorde punten, die zijn tegen­standers in de tot op dat moment gespeelde ronden hebben behaald.

Voorbeeld van de berekening van WP

Van speler 57 zijn in regel 1 de nummers der tegenstanders vermeld, regel 2 geeft de score aan die nr.57 tegen betrokkene heeft behaald, regel 3 vermeldt de totaalscore van elk der tegenstanders.

nr.tegenstander

1

5

8

14

21

28

39

resultaat nr. 57

0

½

1

1

½

½

0

score tegenstander

2

5

4

6

WP van nr: 57 = 3½ + 4½ + 2 + 5 + 4 + 6 + 5½ = 30½

 

end faq